Wat zijn rechterlijke dwalingen?
Met enige
regelmaat wordt door journalisten aan ons de vraag gesteld hoe vaak
rechterlijke dwalingen in Nederland voorkomen. Dat is een nogal zinledige
vraag. Ja, ze komen voor, maar hoe vaak dat gebeurt, kan niet worden
beantwoord. Niettemin zijn er Amerikanen die geprobeerd hebben een schatting te
maken van het percentage strafzaken dat in een rechterlijke dwaling eindigt (zie bijvoorbeeld Huff, Rattner, & Sagarin, 1986,
1986, pp. 53 e.v.). Bij rechterlijke dwalingen heeft men maar één
zekerheid: slechts een deel daarvan komt aan het licht.
Een interessanter
discussie betreft de vraag welke patronen in rechterlijke dwalingen herkend
kunnen worden en wat de studie van die patronen kan bijdragen aan het voorkomen
van rechterlijke dwalingen. Een eerste aanzet daartoe werd gedaan door Crombag,
Van Koppen en Wagenaar (zie Crombag, Van Koppen,
& Wagenaar, 1992, 2008; Wagenaar, Van Koppen, & Crombag, 1993).
De door hen daarbij geformuleerde Theorie van Verhaal en Verankering geldt nog
steeds als de leidende theorie voor rechterlijk beslissen in strafzaken (Jackson, 1996; Twining, 1999).
De rechter mag dan
uiteindelijk degene zijn die een rechterlijke
dwalingen voor zijn rekening neemt, de kiem voor diens foutieve beslissing
wordt meestal gelegd in het opsporingsonderzoek (Van
Koppen, 2010). De beslissingen die door de politie worden genomen (zie over die beslissingen uitgebreid De Poot,
Bokhorst, Van Koppen, & Muller, 2004), leiden er immers toe dat de
officier van Justitie de verkeerde vervolgt en de
rechter de verkeerde veroordeelt. Een rechterlijke dwaling houdt veelal in dat
eerder gemaakte fouten niet door de rechter worden opgemerkt en gecorrigeerd.
Van zo’n rechterlijke dwaling is sprake als iemand is
veroordeeld voor een misdrijf dat hij niet heeft begaan of voor een misdrijf
dat niet heeft plaatsgevonden. De definitie is eenvoudig, maar in de praktijk
kan zelden achteraf worden vastgesteld of werkelijk een rechterlijke dwaling
heeft plaatsgevonden. De ontkenning van de veroordeelde verdachte is daarvoor
geen goed criterium, want ook veel schuldige verdachten hebben de gewoonte te
ontkennen. De enige manier om er enigszins zeker van te zijn dat een
rechterlijke dwaling heeft plaatsgevonden, is dat formeel komt vast te staan
dat iemand anders het misdrijf pleegde, dat is vastgesteld dat het misdrijf
niet heeft plaatsgevonden – bijvoorbeeld doordat het dood gewaande slachtoffer
weer in levende lijve verschijnt of de gestolen
juwelen toch niet gesloten blijken te zijn – of dat de schuld van de verdachte
onmogelijk blijkt. Om die laatste reden rekenen wij de zogenaamde Warnveldse
Pompmoord voorlopig niet tot de rechterlijke dwalingen, evenals een aantal
andere zaken waarin over de schuld van de veroordeelde verdachte bedenkingen
zijn gerezen. Voor die zaken reserveren wij de term dubieuze zaken (vergelijk Crombag, Van Koppen, & Wagenaar, 1992,
2008; Wagenaar, Van Koppen, & Crombag, 1993).
De kans dat in
‘grote’ zaken rechterlijke dwalingen voorkomen is groter dan in ‘kleine’ zaken,
zo liet Gross overtuigend zien (Gross, 1987,
1996). Aan die patronen kan een aantal psychologische (en juridische) processen
ten grondslag liggen (die worden uitgebreid
besproken door Van Koppen, 2010).
Enkele voorbeelden
van mogelijke rechterlijke dwalingen of dubieuze zaken zijn:
·
De Puttense Moordzaak. De veroordelingen van
Viets en Dubois voor de moord op Christel Ambrosius door het Hof Arnhem op 3
oktober 1995 (de Puttense Moordzaak). In de Puttense moordzaak werden Wilco
Viets en Herman du Bois veroordeeld voor de verkrachting van en moord op Christel
Ambrosius op zondag 9 januari 1994 in Putten (de zaak wordt uitgebreid
beschreven door Blaauw, 2002). Na een aanvankelijke afwijzing tot een verzoek
om herziening door de Hoge Raad (HR 27 juni 2000, NJ 2000, 503, Puttense
Moordzaak I, m.nt. Sch.), wees bij een hernieuwde poging de Hoge Raad het
verzoek toe (HR 26 juni 2001, NJ 2001, 564, Puttense Moordzaak II,
m.nt. Sch.) en verwees de zaak voor verdere afdoening naar het Hof Leeuwarden.
Dat Hof sprak vervolgens beide veroordeelden alsnog vrij op 24 april 2002 (LJN-nummer
AE 1877) en het openbaar ministerie ging niet in cassatie (zie over deze zaak Blaauw, 2002).
·
De Zaanse
Paskamermoord. De veroordeling van Rob van Zaane door de rechtbank Haarlem op 19 maart
1987 voor de moord op Sandra van Raalten op 30 november 1984 in Zaandam (de Paskamermoord).
Van Zaane werd later door het Hof Amsterdam vrijgesproken (zie over deze zaak Nierop & Elberse, 1989).
·
De Appelschaaster
Babymoord. De veroordeling door het Hof Leeuwarden op 29 januari 2001 voor de moord
op baby Risanne op 20 september 1999 in Appelscha (Gerechtshof Leeuwarden, 29
januari 2001, LJN-nummer AA 9694). (zie
Van Koppen & Van Koppen, 2008)
·
De Schiedammer
Parkmoord. De veroordeling van Kees Borsboom door het Hof Den Haag op 8 maart 2002
voor de moord op Nienke Kleiss op 22 juni 2000 in Schiedam (zie Van Koppen, 2003).
·
Ina Post. De veroordeling van
Ina Post door het Hof Den Haag op 25 mei 1987 voor de moord op 22 augustus 1986
op mevr. Kolstee-Sluiter in Leidschendam (zie
Israëls, 2004).
·
De veroordeling van Dick
van Leeuwerden door het Hof Amsterdam voor de moord op de 72-jarige mevr.
Brouwers-van Wylick op 4 november 1983 (zie www.dickmoetvrij.com).
·
De Zwartewaalse
Incestzaak (zie Van Koppen, Fernhout, & Van
Bergen, 2009).
·
De veroordeling van
Olaf H. (zie Crombag, Horselenberg, Van Koppen,
& Zeles, 2009).
·
De Drontener Bosmoord (zie
Wagenaar, Israëls, & Van Koppen, 2009)
·
De moord in het
Chinese restaurant (zie Havinga et al., 2008)
·
De Warnveldse
Pompmoord (zie Van Koppen, Van der Kemp, &
Beijers, 2009)
·
De Enschedese
ontuchtzaak (zie om.nl/onderwerpen/commissie_evaluatie/@143598/enschedese_0/).
·
De Eper incestzaak (zie Wagenaar, Israëls, & Van Koppen, 2009).
Literatuur
Blaauw, J. A. (2002). De Puttense moordzaak: De volledige
geschiedenis van Nederlands grootste rechterlijke dwaling (4e ed.). Baarn:
Fontein.
Crombag, H. F. M., Horselenberg, R., Van
Koppen, P. J., & Zeles, G. J. P. (2009). Twee mysterieuze schietpartijen: Waarom vier slachtoffers dood moesten
en twee het overleefden. Den Haag: Boom.
Crombag, H. F. M., Van Koppen, P. J.,
& Wagenaar, W. A. (1992). Dubieuze
zaken: De psychologie van strafrechtelijk bewijs. Amsterdam: Contact.
Crombag, H. F. M., Van Koppen, P. J.,
& Wagenaar, W. A. (2008). Dubieuze zaken:
De psychologie van strafrechtelijk bewijs (5e ed.).
Gross, S. R. (1987). Loss of innocence: Eyewitness identification and
proof of guilt. Journal of Legal Studies,
16, 395-453.
Gross, S. R. (1996). The risks of death: Why erroneous convictions are
common in capital cases. Buffalo
Law Review, 44, 469-500.
Havinga, E., Hopman, S., Melis, P.,
Vastenburg, J., Zeeman, M., Nelen, H., et al. (2008). De dood in het Chinese restaurant: Een moord met vele verhalen. Den
Haag: Boom.
Huff, C. R., Rattner, A., & Sagarin,
E. (1986). Guilty
until proven innocent: Wrongful conviction and public policy. Crime and Delinquency, 32,
518-544.
Israëls, H. (2004). De bekentenissen van Ina Post. Alphen aan den Rijn: Kluwer.
Jackson, B. S. (1996). "Anchored narratives" and the interface
of law, psychology, and semiotics. Legal
and Criminological Psychology, 1, 17-45.
Van Koppen, P. J. (2003). De Schiedammer parkmoord: Een
rechtspsychologische reconstructie. Nijmegen: Ars Aequi Libri (met
medewerking van Ch. Dudink, M. van der Graaf, M. de Haas, J. van Luik en V.
Wijsman).
Van Koppen, P. J. (2010). Rechterlijke
dwalingen. In P. J. Van Koppen, H. L. G. J. Merckelbach, M. Jelicic & J. W.
De Keijser (Eds.), Reizen met mijn
rechter: Psychologie van het recht. Deventer: Kluwer (in druk).
Van Koppen, P. J., Van der Kemp, J. J.,
& Beijers, W. M. E. H. (2009). De
Warnsveldse Pompmoord ofwel de Vier van Warnsveld. Den Haag: Boom.
Van Koppen, P. J., Fernhout, F. J.,
& Van Bergen, S. (2009). Het
maagdenvlies als bewijs: Tegenstrijdige verklaringen in twee incestzaken.
Den Haag: Boom.
Van Koppen, P. J., & Van Koppen, M.
V. (2008). De Appelschase Babymoord: Een
misdrijf met slechts één verdachte. Den Haag: Boom.
Nierop, D., & Elberse, P. (1989). De paskamermoord. Utrecht: Spectrum.
De Poot, C. J., Bokhorst, R. J., Van
Koppen, P. J., & Muller, E. R. (2004). Rechercheportret:
Over dilemma's in de opsporing. Alphen aan den Rijn: Kluwer.
Twining, W. L. (1999). Necessary but dangerous? Generalizations and
narratives in argumentation about 'facts in criminal process'. In M. Malsch
& J. F. Nijboer (Eds.), Complex
cases: Perspectives on the
Wagenaar, W. A., Israëls, H., & Van
Koppen, P. J. (2009). De slapende rechter:
Waarom het veroordelen van burgers niet alleen aan rechters overgelaten kan
worden. Amsterdam: Bert Bakker.
Wagenaar, W. A., Van Koppen, P. J.,
& Crombag, H. F. M. (1993). Anchored narratives: The
psychology of criminal evidence. London: Harvester Wheatsheaf.